Hieronder vindt u de toespraken die burgemeester Wimar Jaeger heeft gehouden in 2026. Dit zijn de toespraken zoals ze van tevoren op papier zijn gezet.
Herdenkingsspeech in Walburgiskerk - 4 mei
Het was 2006 toen hij er na maanden aan toe kwam de zolder van zijn overleden moeder op te ruimen. Daar zag hij een doos die zijn herinnering niet thuis kon brengen. De inhoud vol papieren met nummers, brieven en jaargangen van het naoorlogse blad van het Dachau Comité. Dagen duurde het voordat de werkelijkheid tot hem doordrong. De altijd aanwezige ongewenste derde die hij tot dan toe niet gekend had, openbaarde zich: het concentratiekamp. Vanaf dat moment ijsbeerde hij doorgaans de oorlog uit zijn lijf, als na-oorlogskind zoekend naar het verschil tussen wel weten maar nooit gehoord. Van Dachau naar Den Haag, van archief naar monument van herdenking naar herinnering. Waarom hadden zijn ouders nooit iets vertelt? waarom had hij nooit begrepen wat hij wel had gezien? Waarom is de oorlog na 81 jaar nog steeds niet voorbij?
Dames en heren, lieve mensen, Wat fijn dat u met zo velen aanwezig bent.
Vanavond komen herinneringen en emoties over oorlogsgeweld, bombardementen, de holocaust, onderdrukking, terreur, arbeidsuitbuiting en honger samen. Die verschikkingen hebben in onze samenleving diepe sporen achtergelaten. Als samenleving zijn we collectieve erfgenamen van de ervaringen van de slachtoffers daarvan. Het is de vraag wat wij vandaag met die erfenis doen. Niet alleen om te begrijpen hoe die verschrikkingen konden ontstaan, maar ook om eerlijk onder ogen te zien of zoiets opnieuw zou kunnen gebeuren.
Oorlogsverschrikkingen herdenken en herinneren we om het verleden nooit te vergeten. Voor onze toekomst willen we ervan begrijpen en leren. Daarom is het fijn dat alle generaties hier aanwezig zijn. De ervaringen van de oorlog moeten constant worden doorgegeven zodat de lessen ervan niet uit ons bewustzijn en uit ons morele kompas verdwijnen. Alleen zo voorkomen we dat zoiets weer gebeurd.
Het jaarthema 2026 van het Nationaal Comité 4 en 5 mei 'De geschiedenis leren begrijpen' spreekt over doorwerking van de oorlog. Die doorwerking is ingewikkeld omdat het laat zien dat oorlog, zelfs 81 jaar na het zwijgen van de wapens, nog voortduurt en daarmee in het DNA van naoorlogse generaties is gekropen. Voor velen van ons ligt de oorlog achter ons. Voor anderen is die nog niet voorbij. Centrum 40-45 en het Sinaï Centrum behandelen nog steeds vele mensen, die na de oorlog werden geboren, maar oorlogstrauma van ouders of grootouders overnamen.
We horen de verhalen van de naoorlogse kinderen van de 2e en 3e generatie, die vaak door familietrauma of de stilte daarover de verschikkingen van de oorlog moesten herbeleven. In een normale wereld krijgt een kind vertrouwen mee, liefde, geborgenheid en stimulans. Maar oorlog en onderdrukking kegelt die pijlers onder een goede start van het leven volledig omver.
Oorlog, lieve mensen, is overdraagbaar ook als de soldaten terug in de kazerne zijn. Kijkend naar Oekraïne, naar Gaza, naar Sudan, naar Iran, kijkend naar de 59 brandhaarden in onze wereld, vraag ik mij af wanneer de kinderen in Odessa, in Teheran, Ramallah, Darfoer, weer onbekommerd, ongecompliceerd, gedachteloos en onbezorgd op straat kunnen spelen. Hoe houden we de vrijheid zolang met elkaar vast, dat de oorlog uit ons DNA is verdwenen?
Joden, militairen, verzetsstrijders, burgerslachtoffers en dwangarbeiders, uit de Tweede Wereld oorlog; velen van hen kampten met emotionele, psychische ‘schade’. PTSS, herbeleving, de schuld van overleven, angst en paniek, schaamte, verdoving en afvlakking, allemaal uitingen van overdraagbare schade die in je lijf gaat zitten en waar je ziek van wordt.
Honderdduizenden Nederlanders met emotionele en mentale schade spraken nauwelijks over wat ze hadden meegemaakt. Ze zaten gevangen in hun innerlijke onderdrukking. En toen ze ouder werden wierp die verschrikkelijke onderdrukking haar schaduw over de volgende generaties. Generaties die nog niet geboren waren toen de wereld in brand stond maar de kolossale gebeurtenissen als het ware toch meemaakten. Soms zo indringend dat het lijkt alsof jezelf het kamp, de hongerwinter, de razzia’s en het geweld hebt meegemaakt. De oorlog ligt weliswaar ver achter ons. maar duurt eenentachtig jaar langer dan de wapens spreken.
Vanavond erkennen we de ernst van oorlog en de langdurige gevolgen. Die erkenning, lieve mensen, schept verplichtingen voor morgen. Want alleen wijzelf kunnen oorlog en innerlijke onderdrukking uit ons DNA halen, door te leren van wat toen zo verschrikkelijk mis ging.
De belangrijkste les van toen is dat de keerzijde van onderdrukking en oorlog, vrijheid en menselijkheid is. Het voorkomen van onderdrukking en oorlog in ons DNA ligt in de kern dan ook in die vrijheid en menselijkheid. Sterker vrijheid begint bij menselijkheid. Volgens verzetsstrijder en kampoverlevende Boelaard werd de vrijheid gevierd met “begrip voor elkaars gevoelens en gedachten”. Kort samengevat de vrijheid bewaken door menselijkheid te vieren (Weest manlijk, zijt sterk, Pim Boellaard (1903-2001), het leven van een verzetsheld, Jolanda Withuis - 2009).
Vrijheid is ten diepste kunnen zijn, denken en zeggen wie je bent en wat je gelooft. Menselijkheid is ten diepste de ander die vrijheid geven. Vrijheid gaat om persoonlijke vrijheid, recht op leven en veiligheid; geestelijke vrijheid van gedachten en overtuiging; politieke vrijheid van meningsuiting en organisatie; lijfelijke vrijheid van liefde en lichamelijk integriteit en de vrijheid van informatie, vrijwaring van censuur.
Iedereen wil dat oorlog en innerlijke onderdrukking uit ons DNA verdwijnt. Niemand wil dat ons de vrijheden weer worden ontnomen. Maar in de huidige tijd van oorlogen buiten en polarisatie binnen ons land, gaan onze gedachten onwillekeurig uit naar de verschikkingen van toen.
Lieve mensen de geschiedenis herhaalt zich zelden in precies dezelfde vorm. Daarom is het moeilijk te voorspellen of en wanneer onze vrijheden worden aangetast. Maar waarin de geschiedenis zich meestal wel herhaalt is dat het ontvallen van de vrijheid nooit van de ene dag op de andere is, maar ons sluipend overvalt. Het tweede wat zich altijd herhaalt is dat die vrijheid niet verloren gaat door geweld van de kwaadwillende minderheid maar door het zwijgen van de goedwillende meerderheid.
Komt de vrijheid ook bij ons steeds meer in het geding? Uit zich dat in de dwang van de sociale media, het over één kam scheren van alle vluchtelingen, Moslim en Jodenhaat, de gedachte dat wetenschap ook maar een mening is, de cliëntelistische aantasting van de rechtstaat, het demoniseren van de tegenstander en de verdrinking in onze eigen bubbel?
Wordt er retorisch en systematisch weer een weg geplaveid voor een werkelijkheid die leidt tot onderdrukking en oorlog? Worden we stap voor stap medeplichtig door alledaags onrecht niet te weerspreken. De geschiedenis leert ons dat je je niet pas moet uitspreken als de situatie identiek is aan het verleden. We mogen niet voorbij gaan aan de kleine verraderlijke stappen waardoor een systeem van alledaagse medeplichtigheid ontstaat.
Je kunt wel denken dat harde woorden op de socials geen pijn doen, maar het is niet waar. Je kunt wel aannemen dat asielzoekers gelijkstaan aan overlast en geweld, maar het is niet waar. Je kunt wel zeggen dat Joden en Israël hetzelfde zijn, maar het is niet waar. Je kunt wel vinden dat de koran tot terrorisme oproept, maar het is niet waar. Je kunt wel hopen dat klimaatverandering geen oorlog veroorzaakt, maar het is niet waar, Je kunt wel vinden dat je opponent niet deugt, maar het is niet waar. Je kunt wel denken dat Facebook en Tiktok jouw de hele wereld tonen, maar het is niet waar.
Het is tijd lieve mensen om de vrijheid steviger dan ooit te bewaken, door je uit te spreken voor de vrijheden van de ander, door nieuwsgierig te zijn naar de ander, door menselijkheid boven procedures te stellen, door je te abonneren op een kritisch medium, maar vooral door anderen de vrijheid te geven, zoals je die zelf zou willen ontvangen. De Vrijheid bewaken om te zorgen dat oorlog en innerlijke onderdrukking uit het DNA van onze kinderen blijft. Daarom vraag ik u de vrijheid aan de ander te beloven. De beste garantie voor vrijheid is immers de ander zo vrij te laten als jezelf vrij wilt zijn: “jij bent vrij als ik het ben, ik ben vrij als jij het bent”.
Lieve mensen, de slachtoffers van de Tweede Wereldoorlog vertellen een verhaal van een samenleving die werd meegesleurd in een oorlog waar ze zich niet op had voorbereid. Zij herinnert ons eraan dat de eerste keer dat je je ergens tegen moet uitspreken sneller komt dan je verwacht. Laten we dat in het komende jaar geen dag vergeten, om er zo aan bij te dragen dat oorlog en de onderdrukking uit ons DNA verdwijnt.
Dank u wel
Toespraak bij Gideonmonument - 4 mei
Lieve mensen,
Wat fijn dat u hier vanavond met zo velen aanwezig bent. We komen samen om stil te staan bij de slachtoffers, herinneringen en emoties van de Tweede Wereldoorlog in Zutphen en Warnsveld. We herdenken het oorlogsgeweld, de Holocaust, onderdrukking, terreur, arbeidsuitbuiting, bombardementen en honger. Deze gebeurtenissen hebben diepe sporen nagelaten in onze samenleving. Wij dragen die geschiedenis met ons mee als collectieve erfgenamen. Daarom vanavond ook de vraag: wat doen wij met die erfenis? Niet alleen om te begrijpen hoe deze verschrikkingen konden ontstaan, maar ook om eerlijk onder ogen te zien of zoiets opnieuw zou kunnen gebeuren.
We herdenken om niet te vergeten. We herinneren om te leren. Juist daarom is het waardevol dat alle generaties hier vertegenwoordigd zijn. De verhalen van de oorlog moeten steeds opnieuw verteld worden, zodat de lessen ervan levend blijven in ons bewustzijn en ons morele kompas. Alleen zo kunnen we voorkomen dat de geschiedenis zich herhaalt.
Vanavond erkennen we de ernst van oorlog en de langdurige gevolgen ervan. Die erkenning brengt verantwoordelijkheid met zich mee. Want de belangrijkste les uit het verleden is dat tegenover onderdrukking en oorlog altijd vrijheid en menselijkheid staan. Sterker nog: vrijheid begint bij menselijkheid.
Vrijheid betekent dat ieder mens kan zijn wie hij is, kan denken wat hij wil en kan uitspreken wat hij gelooft. Menselijkheid betekent dat we diezelfde vrijheid ook aan anderen gunnen. Dat klinkt vanzelfsprekend, maar in een wereld waarin oorlogen voortduren en waarin ook binnen onze samenleving polarisatie groeit, staat dat principe onder druk.
De geschiedenis herhaalt zich zelden letterlijk, maar kent wel herkenbare patronen. Vrijheid verdwijnt meestal niet plotseling, maar geleidelijk, bijna ongemerkt. En vaak niet door het kwaadwillend handelen van een kleine minderheid, maar door het zwijgen van de grote meerderheid.
Zien we die ontwikkeling ook niet om ons heen? In normaliteit van het keiharde debat, de invloed van sociale media, het generaliseren en veroordelen van asielzoekers, Moslim en Jodenhaat, wantrouwen in wetenschap, politie en rechtelijke macht, het demoniseren van andersdenkenden en in de steeds grotere druk op de onafhankelijke media. Het zijn kleine stappen die, als we niet opletten, samen een gevaarlijke richting vormen.
De geschiedenis leert ons dat we ons niet pas moeten uitspreken wanneer situaties volledig ontsporen. Juist de kleine, alledaagse vormen van onrecht vragen om een reactie. Want onwaarheden en vooroordelen – hoe vaak ook herhaald – blijven onwaar. Woorden doen ertoe, beelden doen ertoe, en niet zwijgen doet er meeste toe.
Daarom is het nu de tijd om de vrijheid actief te beschermen. Door je uit te spreken en op te komen voor de vrijheid van de ander. Door nieuwsgierig te blijven naar elkaar. Door menselijkheid boven regels en systemen te plaatsen. Door je te abonneren op een onafhankelijk medium. En vooral door anderen de vrijheid te geven die we zelf verlangen. Want vrijheid is wederkerig: “jij bent vrij als ik het ben, ik ben vrij als jij het bent.”
Mag ik u daarom vragen elkaar een hand te geven en elkaar de vrijheid te beloven door te zeggen “jij bent vrij als ik het ben: ik ben vrij als jij het bent”.
Dank u wel
Preek van de Leek in de Walburgiskerk - april
Het begon met een simpele vraag. “Ben ik mijn broeders hoeder?” Vanaf dat moment was mijn naaste veranderd in de ander.
Let me translate for our American friends: It began with a simple question: am I my brother’s keeper? From that moment on my next of kin had changed into the other.
“Vanaf dat moment was mijn naaste veranderd in de ander”. En misschien was de verandering van de naaste in die ander wel het moment waarop de laatste deur naar de hemel op aarde werd gesloten. We lezen over een gesprek tussen God en Kaïn in Genesis 4:9. God vraagt Kaïn “waar is je broer?” Kaïn beantwoordt met een wedervraag: “ben ik mijn broeders hoeder?”
Lieve mensen
De wedervraag van Kaïn was geen vraag uit onschuld, maar uit ontwijking. Kaïn probeert verantwoordelijkheid van zich af te schuiven. Hij zegt eigenlijk: “Waarom zou ik voor mijn broer moeten zorgen? Dat is toch niet mijn taak?”
Maar God vroeg Kaïn niet om een filosofische discussie. God vroeg: “Waar is je broer?” en daarmee vraagt God eigenlijk: waar ben jij? Met de wedervraag van Kaïn “ben ik mijn broeders hoeder”, schuift hij de verantwoordelijkheid van zich af. Door de wedervraag te stellen: “waarom zou ik voor mijn broer moeten zorgen?”, plaatst Kaïn zich als het ware buiten een menselijk verbond.
En dat is wat wij sinds Kaïn misschien wel vaker doen dan we willen; zelfs vaker doen dan we ons bewust zijn. Die zin ben ik verantwoordelijk voor een ander stelt degene die het denkt of zegt als het ware buiten de verbinding met zijn naaste, en zo buiten het menselijk verbond.
De vraag, die Kaïn stelt nadat hij zijn broer Abel heeft gedood: “ben ik mijn broeders hoeder” klinkt al duizenden jaren door. Maar het is geen vraag uit het verleden.
Het is een vraag van vandaag. En een vraag die ons allen aangaat.
“En vanaf dat moment was mijn naaste de ander”. Precies daar raakt deze tekst ons. Leven wij in onze stad, waar de sociale problematiek aanzienlijk is, waar sociale media welig tiert, waar we puffen in de drukte van ons dagelijks bestaan en waar onze huizen geïsoleerd zijn door onze eigen bubbel. Zijn wij een samenleving die langs elkaar heen leeft of naar elkaar omziet? Zien wij elkaar of nemen we elkaar waar. Leven we naast elkaar of met elkaar. Leven wij in onze stad tussen onze naasten of leven we met de ander?
Lieve mensen, wij zijn mensen. Welk geloof je ook aanhangt, welke levenspad je ook loopt, welke filosoof je ook leest, de kern van de mens is verbondenheid. Bij de geboorte van een kind tot aan de oud geworden mens, niemand kan zonder het menselijk verbond. Zonder verbondenheid is er geen leven mogelijk. Ook Kaïn realiseert zich dat de moord op zijn broer Abel hem van de kern van het leven verstoot. “U wilt niet meer bij mij zijn . Ik zal moeten rondzwerven. Iedereen die mij tegenkomst zal mij kunnen doden”, zegt Kaïn tegen God, als die hem voor straf wegstuurt.
Door het breken van de verbondenheid met zijn broer belandt Kaïn als het ware is een dolende eenzaamheid. Zonder verbondenheid geen leven. Maar God verlaat Kaïn ondanks zijn daad niet. God roept hem op tot de morele terugkeer naar het hart. Want overal en altijd kan de ander weer je naaste worden. Die keuze is nooit te laat.
Lieve mensen, moderne filosofen zouden zeggen: “Ik ben verbonden dus ik besta”. Alles wat wij doen heeft pas betekenis als het een relatie heeft tot onze naasten. Of het uw gezin is, uw familie, uw werk of uw buurt; ieder menselijk handelen betekent pas iets als het betekenis heeft voor onze naaste. Het wiegen door de moeder heeft pas betekenis als het het kind gerust stelt. De koffie voor de oma heeft pas betekenis als het haar eenzaamheid beantwoordt. Het werk van de bakker heeft pas betekenis als het de honger stilt. Uw geveltuintje heeft pas betekenis als de straat van de buur lekkerder ruikt.
“Toen werd mijn naaste de ander” ontstaat misschien wel op het moment dat je de ander niet meer als jezelf ziet. Door te vragen “waar is je broer” vraagt God aan Kaïn waar ben jij, omdat God oproept je naaste als jezelf te zien. Jij bent als het ware zelf je naaste, is de boodschap. En in de bijbel zien we meer verwijzingen, denk aan Matheus 7:12: “wat u niet wilt dat u geschiedt doe dat ook een ander niet”. Of aan Matheus 22:39 "Heb uw naaste lief als uzelf."
Die verantwoordelijkheid voor je naaste wordt vaak vertaald in barmhartigheid. Denk aan de barmhartige Samaritaan uit Lucas 10:25-37. Maar gaat de oproep over de erkenning van de naaste alleen over barmhartigheid, alleen over opoffering van jezelf voor je naaste? Het verhaal van Kaïn en Abel leert ons dat de kijk op je naaste meer is dan barmhartigheid. Het begrip “naaste” roept ook op tot wederkerigheid.
Iemand is je naaste als jij iets voor die naaste betekent, maar zeker ook omdat die naaste iets voor jou betekent. Door zelf je naaste te zijn, zorg je niet alleen voor de ander maar ook voor jezelf. Dat is de kern het menselijk verbond. Want het menselijk verbond heeft altijd een wederkerige betekenis. Jij betekent voor de ander wat de ander voor jou betekent. Alleen dan kan jij de ander zijn en is daarmee die ander je naaste. Zonder die naaste heeft het leven, zoals we eerder zagen, geen waarde. Zonder de naaste krijgt het menselijk verbond geen ruimte. En zonder menselijk verbond geen leven.
En dat alles is niet alleen van toepassing op individuele naasten maar misschien nog wel meer op het collectief. Het menselijk verbond als nabijheid van en voor allen. Of zoals het in de Bijbel metaforisch genoemd wordt “de kudde”. Het menselijk verbond van mens tot mens en als de drager van de gemeenschap.
In de moderne tijd wordt dat menselijk verbond maatschappelijk wel eens met het woord naoberschap aangeduid. Overigens is het mooi, zeker in het bijzin van onze Nederlands Amerikaanse naasten, dat “je naaste” in het Engels vertaald wordt als neighbor en we in de Achterhoek en Twente spreken van naobeur.
Noaberschap is een diepgewortelde traditie waarbij buren en dorpsgenoten naar elkaar omkijken, voor elkaar klaarstaan en elkaar bijstaan met raad en daad. Noaberschap kan alleen goed werken als je buurman je naaste is. Zodra je buurman de ander is ontvalt ons het noaberschap. Tiert het naoberschap in onze stad wel welig? Koesteren wij in Zutphen het menselijk verbond? Zijn wij verbonden uit nabijheid en verbonden uit erbarmen? Durven wij onze naasten op te roepen ons niet als de ander maar als naasten te zien?
Als burgemeester ben ik primair burgervader. Dat vaderschap baseert zich in de kern op ons menselijk verbond. Er kan veel over een vader gezegd worden, maar een ding weten we zeker: een vader kan het niet alleen en daarom is noaberschap, vanuit de gedachte dat we leven tussen naasten, iets van ons allemaal.
Misschien mag ik u daarom vragen de naaste die naast u zit een hand te geven met beide handen zou ik zeggen. En mag ik u dan vragen elkaar te zeggen “ik ben jouw hoeder”.
Dank u wel.
Lieve mensen het begon met een simpele vraag “ben ik mijn broeders hoeder” en daarmee werd mijn naaste de ander. Maar lieve mensen het eindigt met een simpel antwoord: “ik bén mijn broeders hoeder” en daarmee is de ander mijn naaste.
Amen
Rembrandt tentoonstelling - maart
Dames en heren, lieve mensen
Wat fijn dat u hier aanwezig bent bij de opening van deze heel bijzondere tentoonstelling ‘Rembrandt, van donker naar licht’ in ons Stedelijk Museum Zutphen.
Mij is gevraagd of ik enkele woorden wil spreken over deze tentoonstelling. Maar voordat ik dat doe wil ik eerst mijn enorme dank uitspreken aan mevrouw Charlotte Meyer.
U koos het Stedelijk Museum Zutphen uit om als eerste museum in Nederland uw collectie etsen van Rembrandt toegankelijk te maken voor publiek. Dat vinden wij een onuitsprekelijke eer! Daar bovenop heeft u met uw inmiddels onschatbare kennis van Rembrandt en samen met onze museumdirecteur Paulo Martina heel veel tijd en energie gestopt in het inrichten van deze prachtige expositie. Heel veel dank dat u al die energie en moeite in onze prachtige stad Zutphen heeft laten landen!
Lieve mensen laat ik voorop stellen: ik ben geen kunsthistoricus. Het zou daarom niet verantwoord zijn (al helemaal niet met kenners in de zaal) om iets inhoudelijks over Rembrandt’s werk te vertellen.
Het is niet bekend of Rembrandt zich ooit in Zutphen heeft begeven, maar omdat daar geen werk van is nemen we aan dat hij hier nooit geweest is. Anders had hij immers zeker iets over onze prachtige stad geproduceerd. Daarom koos ik ervoor te zoeken naar de maatschappelijke relevantie van Rembrandts’ werk in de huidige tijd.
Zoals u misschien weet kent Zutphen een belangrijke erfgoedthema, namelijk ‘verering’. Als er iemand al in zijn tijd werd vereerd dan was dat Rembrandt.
In de eerste decennia van de 17e eeuw was hij succesvol en beroemd. Je kunt gerust zeggen dat hij in die tijd een sterkunstenaar was. Misschien moeten we zelfs zeggen dat hij naar de maatstaven van nu een echte influencer was.
Rembrandt was er niet vies van zichzelf in de spotlight te zetten. Dat blijkt wat mij betreft wel uit de vele zelfportretten die hij maakte. Historici denken dat Rembrandt ongeveer 80 tot 90 zelfportretten heeft gemaakt. Jazeker Rembrandt was de man van de selfie.
Die zelfportretten bestaan uit ongeveer 40 schilderijen, zo’n 30 etsen en circa 20 tekeningen. Hij was het model dat altijd beschikbaar was om te oefenen. We zien hem in die zelfportretten groeien van jonge ambitieuze kunstenaar tot een oude man.
Maar deze influencer met z’n selfies, lieve mensen, beeldde zichzelf, in tegenstelling tot de influencers van vandaag, af met alle onvolmaaktheden die bij zijn uiterlijk hoorden. En dat gold ook voor de mensen die hij portretteerde.
Rembrandt zag schoonheid in de onvolkomenheden van mensen. In al zijn werk, doeken en etsen, beeldde hij mensen af zoals ze waren.
Grote opdrachtgevers, belangrijke mensen en minder gefortuneerden. Rembrandt beeldde mensen af zoals ze eruitzagen. Met al hun pukkels, onderkinnen, verzakkingen, hun bierbuiken. Hij veranderde niets. Hij portretteerde zichzelf en mensen, in wat we nu zouden zeggen, al hun onbeschaamdheid.
In tegenstelling tot vandaag de dag zag Rembrandt wat mij betreft bij uitstek de schoonheid van imperfectie. Hij vereerde die imperfectie van mensen tot in het kleinste detail en zette het in zijn mooie licht. Pukkels in clair obscure, het zou wat mij betreft zomaar eens een titel voor een nieuwe Rembrandt tentoonstelling kunnen zijn.
Vanuit die redenering is wat wij naast zijn onvoorstelbare vakmanschap, in de werken van Rembrandt in feite vereren, de imperfectie van de mens, die hij in etsen en doeken toont.
Rembrandt ontwikkelde de etstechniek van de imperfectie, zeg ik er nu maar even bij, tot in de perfectie. Eerst in Leiden en vervolgens in de beginperiode van zijn Amsterdamse tijd.
In zijn etsen gaat hij meesterlijk om met de sterke contrasten tussen licht en donker, de bijzonderheid van de lichtinval en de focus op gezichten, waardoor die onderkin nog beter uitkomt.
Die etsen waren zo gewild dat Rembrandt voor een ets net zoveel kon vragen als een iets mindere meester voor een schilderij. De koopman in hem verhief de etskunst welhaast tot een productiebedrijf. Hij vermenigvuldigde ze, verkocht ze aan een breed publiek en zo verspreide het werk zich internationaal. Ik moet onwillekeurig toch weer even aan die influencers van vandaag denken.
Het uitmuntende vakmanschap in combinatie met zijn gevoel voor marketing maakte Rembrandt bekend in zijn eigen tijd. Of diezelfde kwalificaties op de huidige influencers van toepassing zijn durf ik te betwijfelen.
Hoe dan ook zoals hopelijk een flink aantal influenmcers van vandaag raakte Rembrandt na zijn dood iets meer in de vergetelheid. Maar sinds het eind van de 19e eeuw zijn we Rembrandt zijn werk weer gaan vereren. Dat zijn om diverse redenen met name zijn schilderijen en daarmee lijken we misschien wel te vergeten dat zijn verering begon met de prachtige etsen.
U begrijpt waar ik naar toe wil, want vandaag de dag staat de grote verering van de wereldberoemde Rembrandt met zijn beeld van de onvolkomenheid, zijn verering van de imperfectie, misschien wel lijnrecht tegenover de huidige tijd.
Vandaag de dag zien we een toenemend ideaal van het perfecte lichaam. We vereren de perfectie. En er is geen kunstenaar nodig om rimpels en pukkels te verwijderen door ze niet af te beelden. Er is nu de techniek om het perfecte lichaam zelf te creëren.
Veel pubers hebben al hun eerste facelift gehad, lippen worden aangepast, neuzen worden gecorrigeerd, borsten, billen alles moet perfect zijn. En die perfectie is maakbaar.
We bevinden ons in de vereringscultus van het perfecte lichaam, dat vervolgens on- en offline door influencers wordt uitgedragen. We brengen steeds meer vorm in de wereld, maar niet per se meer inhoud. Het lijkt erop dat ons dat als mensen niet echt goed doet.
Mijn conclusie lieve mensen is dan ook dat naast het feit dat we zo graag naar het werk van Rembrandt kijken, we ook veel van hem kunnen leren. We zijn verschillend, we hebben allemaal afwijkingen ten opzichte van de ander. Ieder mens heeft zijn een eigen schoonheid, juist door onze imperfecties. Dat is wat we, naast de schoonheid van zijn werk, van Rembrandt kunnen leren.
Koester de schoonheid van imperfectie. Volmaaktheid is echt een stuk minder interessant. Verering en zelfverering begint en eindigt met de inhoud die zich onderscheid door de imperfectie. Ik fantaseer dat Rembrandt het zomaar gezegd zou kunnen hebben.
Laat deze tentoonstelling u daarom niet alleen kijken, maar ook zien. Kijken naar de etsen van de meester, met die intense schoonheid van de imperfectie en ons zo ook uitnodigt om de ander en onszelf anders te zien, dan onze tijd ons lijkt voor te schrijven
Deze tentoonstelling, in een tijd waarin perfectie zo nadrukkelijk wordt nagestreefd, houdt ons wat mij betreft ook een spiegel voor, waarin juist het onvolmaakte betekenis krijgt.
En misschien lieve mensen is dat óók wel een grootse nalatenschap van Rembrandt: dat ware schoonheid niet schuilt in wat wij gladstrijken, maar in wat wij durven te laten zien.
Ik wens u een inspirerende en verrijkende ervaring toe.
Dankuwel
Speech historische vereniging - maart
Beste aanwezigen, lieve mensen,
Dank voor de uitnodiging om te komen spreken tijdens uw Algemene Jaarvergadering. En dat nog wel op het moment dat Adriaan, na zoveel jaren, afscheid neemt als voorzitter. Wat een grote eer! Tegelijkertijd vind ik het toespreken van een geschiedkundig gezelschap best ongemakkelijk. Want met, naar mijn indruk, zoveel geschiedenisliefhebbers in onze gemeente — laat staan hier in de zaal — is het niet eenvoudig om iets interessants te vertellen. En hoewel ik zelf ook een bovengemiddelde interesse in geschiedenis heb, weet ik als het om Zutphen gaat nog veel te weinig.
Het idee was om hier iets te vertellen over mijn observaties en ervaringen als burgemeester van Zutphen. Ik kan u zeggen: het burgemeesterschap bevalt mij uitstekend — meer dan uitstekend zelfs. Het vervult mij met trots, omdat deze gemeente wat mij betreft alles heeft wat een burgemeester zich kan wensen.
Groot genoeg om over een professioneel apparaat te beschikken, klein genoeg om bij wijze van spreken iedereen te kennen. Een gemeente met uitdagende sociale problematiek, maar tegelijkertijd ook met een warme en betrokken gemeenschap. Stevig genoeg om een mooie regionale rol te spelen, krachtig genoeg om de kleinere gemeenten in de Stedendriehoek en onze subregio IJsselstreek — Brummen, Lochem, Voorst en Zutphen — goed te vertegenwoordigen.
Maar bovenal: een werkelijk onuitputtelijke, fantastische historische stad, waarvan je soms denkt dat alles hier begonnen is. Zo redenerend zijn wij wat mij betreft toch nog het laatst overgebleven stukje Hof van Eden in de wereld.
Ik kan u eindeloos vertellen waarom wij zo’n heerlijkheid zijn — om het maar eens in oude termen uit te drukken — maar voor vanavond wil ik graag drie thema’s aan u voorleggen.
Allereerst: hoe staat het met het structurele toekomstdenken in onze gemeente? Zoals ik dat noem: het Walburgisdenken van Zutphen.
Vervolgens een vraag die ik maar weinig hoor terugkomen, maar die ergens toch steeds meespeelt: zijn wij Achterhoeks of Amsterdams? Is de gebiedsoriëntatie van Zutphen door de eeuwen heen wezenlijk veranderd?
En tot slot wil ik graag kort met u filosoferen over de vraag of ons roemruchte verleden leidt tot een conservatieve toekomst. Ofwel: in hoeverre maakt ons erfgoed ons behoudender dan innovatief?
Lieve mensen, ik denk dat historici soms de neiging hebben om steden als Zutphen te beschrijven als een consistent verhaal: een keurige Hanzestad, stevig geworteld in een lang verleden, met een duidelijke lijn en overzichtelijke keuzes tussen A en B. Maar de eerlijkheid gebiedt te zeggen: niets is minder waar.
Wat mij betreft mag Zutphen juist gezien worden vanuit haar voortdurende dualiteit. Een stad die nooit één eenduidig gezicht heeft gehad, maar altijd twee. Diep geworteld in het verleden, maar tegelijkertijd intens op zoek naar de toekomst. Kijkend naar het boerenland achter ons, maar verlangend naar de intellectualiteit en cultuur van de richting waar de zon ondergaat. De gelukzaligheid van monumenten enerzijds, en de angst voor nieuwe toevoegingen anderzijds.
In mijn rol als voorzitter van de raad en het college, als gezagdrager van de sterke arm en in het dagelijkse contact met geloofs- en wijkgemeenschappen, bevind ik mij midden in het hart van de discussie over onze stad en ons dorp. Ik schakel als het ware tussen de kerkelijke, de wereldlijke en de stedelijke machten. Ik ervaar daarin veel gedrevenheid en een oprechte wil om het goede te doen.
Tegelijkertijd vraag ik mij af in hoeverre wij als gemeenschap en bestuur gewend zijn om de lange lijn van het verleden te vertalen naar een visie op de lange lijn van de toekomst. U mag best weten dat ik de indruk heb dat Zutphen te weinig stilstaat bij de vraag hoe wij onze stad zien in bijvoorbeeld 2126 — over honderd jaar dus.
Daarom streef ik ernaar dat wij in Zutphen de komende tijd meer gaan doen aan wat ik noem: Walburgisdenken. U begrijpt: dat is afgeleid van het zogenaamde kathedraaldenken. Het beeld dat in de 10e, 11e en 12e eeuw iedere Zutphenaar dagelijks een grote steen haalde van ver buiten de stadsmuren en die naar het ’s Gravenhof bracht om te bouwen aan die machtige kerk.
Zij deden dat in de wetenschap dat zij die kerk zelf nooit voltooid zouden zien. Wetende dat hun kinderen haar nooit in volle glorie zouden aanschouwen. En in het besef dat zelfs hun kleinkinderen er waarschijnlijk nog niet zouden kunnen bidden, omdat het dak er dan nog niet op zou zitten.
En toch waren zij iedere dag gemotiveerd, geboeid — zelfs gepassioneerd — om die steen te halen en op de muur te leggen.
Dat beeld zou ik graag naar onze tijd willen vertalen. Wat zou het mooi zijn als wij met elkaar kunnen bespreken en bepalen hoe de toekomst van deze gemeente eruitziet, ver voorbij onze eigen levensverwachting en die van onze kinderen.
Het belang van dat Walburgisdenken legde ik de gemeenteraad uit aan de hand van de appelboom van Mondriaan. Op jonge leeftijd schilderde hij die boom nog in al zijn realistische vormen, om op latere leeftijd uit te komen bij een wit vlak met enkele zwarte lijnen. Van realistisch naar abstract. Eerst de droom van waar je uiteindelijk wilt uitkomen, en vervolgens de weg naar de steen die je vandaag moet leggen — om het maar in Walburgistermen te zeggen.
Ik gebruikte dat voorbeeld om de raad te stimuleren niet alleen beslissingen te nemen over de concrete toekomst van de komende tien jaar, maar zich ook te realiseren dat die beslissingen beter worden wanneer je weet waar je over honderd jaar wilt uitkomen.
Laat ik het wat concreter maken — hoe gevoelig dat in mijn rol als burgemeester soms ook mag zijn.
Ik zie dat wij ruimtelijke ontwikkelingen opnemen in een omgevingsvisie, bijvoorbeeld bedrijventerreinen. Tegelijkertijd heb ik niet echt een beeld van hoe wij denken dat onze economie er over honderd jaar uitziet. Zijn wij dan een gemeente die excelleert in sociale instellingen als GGNet en Tactus? Of zijn wij een uitwijkplaats voor zware industrie, zoals op De Mars? Of werken wij allemaal ver buiten de gemeente en komen wij hier alleen tot rust?
Zijn wij het nieuwe Giethoorn van Nederland, waar bierfietsen met vrijgezellen door de stad rijden?
Zijn wij een ideaal oord voor de oude dag, mijmerend in een schommelstoel over ons prachtige verleden? Of bruist het hier van vitaliteit, met vliegende auto’s, grootstedelijke problematiek en alle dynamiek die daarbij hoort?
Groeien wij naar honderdduizend inwoners, omdat massaal uit het westen vertrokken mensen hier droge voeten willen houden? Worden wij een rijke buitenwijk van Apeldoorn?
Misschien klinkt dat abstract. Dan iets realistischer.
Als er ruimte moet komen voor de rivier — u kent dat project van Rijkswaterstaat — en er een bypass voor hoogwater van de IJssel wordt aangelegd, wachten wij dan tot het Rijk ons vertelt waar die moet komen? Of dromen wij nu al van een tweede rivierarm rondom De Hoven? Creëren wij dan een oude stad, een eilandstad en een nieuwe stad rondom de IJssel, met haar uiterwaarden midden in die stad?
En misschien nog concreter: bouwen wij drie gebouwen op Polsbroek omdat ontwikkelaars daar mooie ideeën voor hebben? Of nemen wij eerst de tijd voor een totaalvisie op dat cruciale gebied over honderd jaar?
Het gaat mij natuurlijk niet om de inhoud van deze voorbeelden — dat is aan de politiek. Maar u begrijpt wat ik bedoel. Ik vind het belangrijk dat wij zoveel mogelijk zélf proberen te bepalen hoe onze toekomst eruitziet, en niet dat de toekomst ons simpelweg overkomt.
Daarom volg ik als Walburgisdenker graag de cirkel van de appelboom. Hopelijk vindt u dat ik een punt heb — want dan mag ik vast nog eens terugkomen.
Dan, lieve mensen, iets over de vraag naar ons DNA.
Historici hebben de neiging om steden als Zutphen te beschrijven als een consistent verhaal: een keurige Hanzestad, stevig geworteld in haar verleden, met overzichtelijke keuzes tussen A of B. Geschiedenis wordt immers vaak gebruikt om identiteit te bepalen.
Maar wat ís die identiteit van Zutphen als het gaat om het gebied waarin onze wortels groeien? Zijn wij Achterhoekers of Amsterdammers — om het maar eens gekscherend te formuleren, omdat het zo mooi allitereert?
Als hoofdstad van het graafschap en later van het kwartier van Zutphen — grofweg de huidige Achterhoek en Liemers — was de stad vanaf de 12e eeuw tot aan de Franse tijd bestuurlijk sterk op die regio gericht. Zutphen was van circa 1370 tot 1543 een van de vier kwartierhoofdsteden van Gelre. Omdat het bovendien een afzonderlijk graafschap was — “hertog van Gelre én graaf van Zutphen” — genoot de stad extra status.
De Zutphense ridderschap speelde een belangrijke rol in het bestuur van het graafschap. Deze elite woonde deels ook in de stad, in zogenaamde winterhuizen.
Door die hoofdstedelijke functie en de macht van de ridderschap had de stad na 1600 bovendien veel invloed in het landsbestuur van de Republiek. Steden — en vooral Zutphen — en ridderschap waren vertegenwoordigd in de Staten-Generaal. Die invloed was zelfs tot in de twintigste eeuw merkbaar.
Maar die eeuwenlange hoofdstedelijke functie maakte Zutphen niet automatisch een typische Achterhoekse stad. Integendeel. Zutphen had niet het agrarische karakter van kleinere steden als Lochem, Doetinchem of Groenlo. In de 14e tot 18e eeuw oogde de stad veel grootstedelijker: stenen huizen met meerdere verdiepingen, een groter inwonertal en rijkere burgers.
Economisch was Zutphen in de middeleeuwen bovendien dé grote stad waarheen handelsstromen uit het achterland kwamen, om van daaruit verder verwerkt of verhandeld te worden. Vanuit Zutphen werden goederen verscheept naar heel Noord-Europa.
Ook Holland was een belangrijk afzetgebied, maar nooit exclusief. In Dordrecht werden in de 14e en 15e eeuw veel Zutphense kooplieden gesignaleerd. Na circa 1600 werd Holland — en vooral Amsterdam — economisch dominant, en kreeg Zutphen vooral regionale betekenis.
Je zou dus kunnen zeggen dat Zutphen altijd beide kanten op keek: naar het achterland én naar het westen.
De komst van de antroposofie gaf de stad later opnieuw een wat westers georiënteerde uitstraling, al was het vooral een typisch Zutphense beweging van enkele Zutphenaren in de jaren vijftig. Mensen die weinig met de Achterhoek hadden, maar ook niet per se een verlangen naar het westen koesterden. Toch is die invloed nog altijd zichtbaar in onze architectuur, in het straatbeeld en in het onderwijs.
Na de Tweede Wereldoorlog vervaagde de band met het oude graafschap sterk. Doetinchem groeide uit tot de gevoelsmatige hoofdstad van de streek. Zutphen werd “te stads” om nog echt Achterhoeks te zijn.
Rond 1980 begon Zutphen zichzelf daarom “Poort van de Achterhoek” te noemen. Daarmee was de historische relatie feitelijk omgekeerd: van hoofdstad naar poort.
Tegelijkertijd ging Zutphen behoren tot de Stedendriehoek — een nieuwe bestuurlijke constructie zonder historische wortels. De stad keek opnieuw twee kanten op: bestuurlijk naar de Stedendriehoek, cultureel en historisch naar de Achterhoek.
Ook de politieke cultuur van Zutphen is daarin interessant. Al decennialang kent de stad een progressieve signatuur. Culturele bewegingen, sociale thema’s en een zekere tolerantie passen misschien meer bij een westers georiënteerde stad dan bij het traditionele beeld van de Achterhoek.
Natuurlijk: veel Zutphenaren voelen zich verbonden met De Graafschap en veel inwoners hebben hun wortels in plaatsen als Lochem, Vorden of Steenderen. Maar tegelijkertijd zoeken veel inwoners juist ook de mondaine, stedelijke kant van Zutphen.
Mijn conclusie is dan ook dat wij in de eerste plaats vooral Zutphens zijn: met een westers georiënteerde blik en een warme sympathie voor de Achterhoek. Daarom denk ik ook dat een bestuurlijke oriëntatie richting Apeldoorn en Deventer een logische keuze is.
Tot slot, lieve mensen, wil ik nog één onderwerp aan u voorleggen.
Zutphen is — zeker de binnenstad, Warnsveld en delen van De Hoven — een uitzonderlijk mooie gemeente. In de afgelopen twintig à dertig jaar is er ontzettend veel opgeknapt. Velen, onder wie ikzelf, doen hun best om onze historische panden nog meer te laten stralen.
Tegelijkertijd zie ik onder stadsliefhebbers en in de politiek een groeiende neiging om steeds behoudender naar de stad te kijken.
Neem bijvoorbeeld de recente discussie over hoogbouw en binnenstedelijke verdichting. Het silhouet van de stad vanaf de IJssel wordt met haar torens bijna heilig verklaard. Er mag niets meer bij en niets meer af.
Maar monumentenzorg is nooit bedoeld als een vorm van stilstand. De essentie van monumentenzorg is juist dat je het mooie bewaart, terwijl je tegelijkertijd ruimte laat voor nieuwe toevoegingen — zolang die het oude niet vernietigen.
Zo kijk ik ook naar stedelijke verdichting en hoogbouw.
Tijdens mijn nieuwjaarsspeech zei ik daarover het volgende:
“Wij zijn een torenstad. En iedere generatie heeft het recht én de plicht om de mooiste toren van haar tijd te bouwen. Torens zijn immers spiegels van het tijdsgewricht waarin zij ontstaan. Natuurlijk bekeken van een afstand en achteraf — maar toch. Daarom kantel ik liever nieuwe flats. Hun breedte verruil ik liever voor hoogte en smeed ik om tot torens. Stadspilaren op afstand van elkaar. Stadspilaren die ruimte bieden aan de velen die een thuis zoeken. En geloof mij: daar wil ik torenhoog over meedenken. Maar nog liever laat ik dat over aan de beste stadsbouwmeesters. Want dat is wat deze stad verdient.”
Dat meen ik nog steeds.
Wat mij betreft zou er best ergens een ranke nieuwe toren mogen verschijnen — zelfs op een plek als Polsbroek. Van mij zou de “beschuitbus”, als we die opnieuw zouden bouwen, best vijf verdiepingen hoger mogen zijn.
Natuurlijk hebben wij de plicht om daarvoor de allerbeste architecten in te schakelen. En nee, het moet geen Zuidas worden. Maar een nieuwe toren — al is het een groene natuurtoren — mag wat mij betreft best.
Dat geldt ook voor optoppen.
Kijk bijvoorbeeld eens naar de entree van de stad vanaf het station. Waarom zou het C&A-gebouw niet omhoog mogen? Of waarom zouden er op het oude postkantoor geen glazen verdiepingen kunnen komen?
Nogmaals: het gaat mij niet om deze voorbeelden op zichzelf. Nieuwe toevoegingen mogen het historische karakter van de stad nooit aantasten, ook niet in de zichtlijnen. Mijn voorbeelden zijn dus niet letterlijk bedoeld, maar als uitnodiging tot nadenken.
Zutphen is geen openluchtmuseum, maar een levende stad.
Een stad die haar schoonheid uit het verleden moet koesteren — bijvoorbeeld door de auto’s van het ’s Gravenhof te weren — maar ook een stad die moet laten zien dat wij in onze eigen tijd opnieuw schoonheid voor de toekomst kunnen creëren.
Ik hoop natuurlijk dat u het met mij eens bent. Maar bovenal hoop ik dat ook u, met uw gesprekken en uw ideeën, wilt bijdragen aan het uitdagen van stadsarchitecten en politici. Uitdagen om ervoor te zorgen dat men over tweehonderd jaar met dezelfde bewondering kijkt naar de gebouwen uit het begin van de 21e eeuw als wij nu kijken naar de gebouwen uit de 17e eeuw.
Hoe dan ook — of wij het nu met elkaar eens zijn of niet — één ding staat als een paal boven water: wij mogen ongelooflijk blij zijn met elkaar. Zoveel liefde voor onze stad en ons dorp. Zoveel mensen die daar met hart en ziel aan willen bijdragen.
En juist dát zorgt ervoor dat wij er nooit over uitgepraat raken — en dat er uiteindelijk alleen maar iets moois uit voort kan komen.
Lieve mensen, ik dank u hartelijk voor uw aandacht.
Dank u wel
Barok Festival 2026 - februari
Lieve mensen, goedemiddag,
Mijn moeder zou zeggen: “je moet wel lef hebben als je nog iets te zeggen hebt na “erbarme dich” van Bach...”. Ik heb het beloofd dus ik moet eraan geloven.
Dames en heren, wat fijn dat u hier vandaag in de Walburgiskerk bent voor het kick off concert naar de vijfde editie van het internationaal Barok Festival Zutphen. Ik zeg bewust: naar het Barok Festival, want het daadwerkelijke festival zal op 1 juli van start gaan.
Voor de fijnproevers onder u is de laatgotische stijl van deze kerk misschien wat sober zeker in vergelijking met de uitbundige vormen van de barokke bouwstijl. De kou in de kerk vandaag bovendien maakt dat we hier met echte liefhebbers aanwezig zijn.
De laatgotiek kenmerkt zich immers door een zekere ingetogenheid en minimalisme en de kou doet wel wat guur aan. Alles in tegenstelling tot alles waar de Barok voor staat.
En van daaruit is het bruggetje naar het hedendaagse cultuursubsidiebeleid van het demissionaire kabinet snel gemaakt dat bepaalt niet gunstig was voor een cultureel klimaat. Ik hoop dat een nieuwe regeringsperiode wat minder minimalistisch en guur is waar het gaat om het grote belang van cultuur.
Dat brengt mij tot een vergelijk tussen de 17de en begin 18de eeuw en het heden. De Barok was een tijd waarin kunst voor het eerst werd gezien als een publieke zaak. Vorsten, steden en kerken investeerden bewust in muziek en cultuur. Zij begrepen dat kunst geen luxe is, maar een fundament onder een vitale samenleving.
Tegenwoordig voeren we datzelfde gesprek opnieuw, zij het in andere bewoordingen en met andere begrotingen. De vraag blijft namelijk niet óf kunst geld kost, maar wat het kost als we niet in kunst en cultuur investeren. Wat verdwijnt er dan uit onze steden, uit onze gemeenschappen, uit ons gezamenlijk geheugen, als we de kunst in ons niet hoog houden?
Aan u hoef ik het antwoord niet uit te spellen, maar aan sommige beleidsmakers nog wel. Ook daarom wil ik u vandaag besmetten met een virus; het virus van enthousiasme voor de kunst en enthousiasme voor dit prachtige Festival, dat dit jaar zijn vijfjarig jubileum viert.
Dit festival is het levende bewijs van de rijke culturele geschiedenis die onze stad ademt. Ik geef direct toe de binnenstad van Zutphen en deze kerk kenmerken zich van ver voor de Barok, maar één van onze belangrijkste monumenten het carillon in de Wijnhuistoren kondigde als het eerste toongestemde klokkenspel de barok als het ware aan. Voor het eerst luisterde de klokken niet meer als willekeurig geluid maar klonk het do, re, mi, fa, sol als het ware voor alle inwoners.
Zutphen vormt het perfecte decor: een stad waar cultuur kan bloeien en waar internationale artistieke uitwisseling vanzelfsprekend is. Het festival heeft een bijzonder bindend karakter dat verder gaat dan de muzikale of artistieke ervaring alleen. Bezoekers komen van binnen en buiten de stad. Het festival draagt bij aan talentontwikkeling en samenwerking tussen uiteenlopende organisaties binnen de gemeente, het biedt kansen voor de lokale economie én creëert een sterk gevoel van saamhorigheid en identiteit in onze gemeenschap.
Deelnemers, bezoekers, kunstenaars en de stad zelf worden verbonden door een gedeelde ervaring en door de universele taal van muziek. Net als in de tijd van de vorsten. Wat daarbij zo bijzonder is, is dat barokmuziek helemaal niet zo ver van ons af staat als we soms denken. Sterker wat mij betreft is het de basis voor de muziekvormen die we tot op heden ervaren.
In de Barok draaide muziek om emotie, om contrast en om het raken van het publiek. Componisten wilden ontroeren, verrassen en soms zelfs choqueren. Precies dat zien we vandaag nog steeds terug; in popmuziek, in filmmuziek, in jazz en in elektronische muziek.
Ook nu zoeken makers naar spanning, naar herkenning en naar een gedeelde beleving. Barok is namelijk niet alleen oud maar minstens zoveel “nieuwe muziek van de jonge generaties”. Zonder de Barok geen Penny Lane van de Beatles, geen Lady Jane van de Rolling Stones. Zonder Pachelbels’ canon in D uit 1680 geen hoeksteen voor het grootste succes van Oasis en onder de melodisch thema’s van onze bekendste DJ’s. Barokmuziek is dus geen afgesloten verleden. Het is een fundament waarop onze hedendaagse muziekcultuur nog altijd voortbouwt.
Om al deze redenen moet een festival als dit in Zutphen behouden blijven. Juist nu, in een tijd waarin culturele subsidies onder druk staan en kunst steeds vaker als kostenpost wordt gezien, laat dit festival zien wat cultuur werkelijk doet: het verbindt, het versterkt de stad en het geeft betekenis aan wie wij samen zijn.
Het Festival moet blijven groeien als een symbool van de artistieke levendigheid van Zutphen en als inspiratiebron voor nieuwe generaties. Maar een festival als dit kan niet vanzelf blijven bestaan. Het vraagt om mensen die meebouwen en dat gebeurt gelukkig al vele edities lang met grote betrokkenheid en steun.
Daarnaast vraagt het om cofinanciering. Daarom heeft Stichting Sparrowtree, die het festival ondersteunt, een Metgezellenprogramma opgezet. Iedere inwoner van Zutphen en daarbuiten die het festival een warm hart toedraagt — en dat bent u allen — kan via dit programma een bijdrage leveren aan het voortbestaan van de barokmuziek. Door het Festival te steunen, geven we een cadeau aan onze stad én aan de generaties die na ons komen. Daarom wil ik een afspraak met u maken. Een afspraak allemaal één voor één, een extra metgezel te vinden die het festival steunt. Vraag de buren, geef het cadeau aan een familielid.
Hoe dan ook mijn oproep aan iedereen die het Barok Festival in zijn of haar hart heeft gesloten: blijf het ondersteunen, blijf het koesteren. Of dat nu is met een financiële bijdrage, met enthousiasme of simpelweg door aanwezig te zijn; iedere handreiking telt. Zie het maar als een andere vorm van het door musicologen aangeduide Barok principe van het “voortspinningspricipe”; de onderliggende melodische stroom in de barok die ervoor zorgt dat er een gevoel ontstaat dat er nooit een einde komt, het alsmaar doorgaat en daarmee dé muzikale geruststelling is voor het leven.
Laten we er samen voor zorgen dat dit festival niet alleen dit jaar, maar ook in de komende decennia blijft bloeien en groeien. Laten we het Barok Festival zien als een weerspiegeling van onze geschiedenis én als een belofte voor de toekomst.
Barokmuziek heeft eeuwen overleefd omdat mensen haar belangrijk genoeg vonden om door te geven.
Die verantwoordelijkheid ligt vandaag niet alleen bij componisten en musici, maar ook bij ons; als publiek, als gemeente en als samenleving.
Dank u wel.
Iftar - februari
Lieve mensen, beste aanwezigen,
Assalamu alaikum, vrede zij met u,
Wat fijn om hier vanavond samen met mijn echtgenote te komen voor de iftar. Het moment waarop u, na een dag van vasten, de maaltijd deelt.
Laat ik beginnen met mijn waardering uit te spreken voor iedereen die deze iftar mogelijk heeft gemaakt.
U neemt tijdens de ramadan afstand van het dagelijkse vanzelfsprekende. Van eten, drinken en andere behoeften. Zo maakt u ruimte voor verdieping en bewustwording. Maar de ramadan is niet alleen een individuele ervaring. Het is bij uitstek een sociale periode. Het is een tijd dat u met uw families, buren en gemeenschappen samenkomen.
De iftar is in dat opzicht meer dan een religieus moment. Het is een uitnodiging. Een uitnodiging om elkaar te ontmoeten. Om aan tafel in gesprek te gaan met mensen die misschien anders denken, anders geloven of anders leven dan wijzelf. Juist in die ontmoeting van verschillen schuilt kracht.
De ramadan wijst ons op waarden als zorg voor de ander, rechtvaardigheid en barmhartigheid. Waarden die ook in onze gemeente Zutphen heel belangrijk zijn. Ik zie ze terug in het vele vrijwilligerswerk, in buurtinitiatieven, in mensen die zich inzetten voor kwetsbare stadsgenoten. Dat maakt Zutphen tot een warme en betrokken gemeenschap.
Onze stad is al eeuwenlang een plek waar mensen van verschillende achtergronden samenleven. Van oudsher een stad van geloof en cultuur. Die diversiteit in onze gemeente is geen bijzaak. Integendeel, zij is een wezenlijk onderdeel van wie onze mooie oude stad is. Ook u draagt bij aan het rijke culturele weefsel van Zutphen.
Laat deze avond niet alleen een afsluiting zijn van een vastendag, maar ook een bevestiging van onze gezamenlijke verantwoordelijkheid voor de stad. Laten we blijven investeren in ontmoeting, in dialoog en in wederzijds begrip.
Ik wens u een gezegende ramadan toe.
Moge deze maand u kracht, inspiratie en vrede brengen.
Dank u wel.
Holocaustherdenking - januari
Lieve mensen, goedemorgen. Wat fijn en goed dat u er allemaal bent.
Ik vrees dat ik vandaag niet de meest optimistische speech voor u ga houden. We herdenken vandaag de Holocaust. Het is vandaag 27 januari 81 jaar geleden dat het concentratiekamp Auschwitz werd bevrijd.
In dat concentratiekamp in Polen werden 1,1 miljoen mensen vermoord. Stel je voor, Zutphen telt 50.000 inwoners. In Auschwitz werden van 22 steden, zoals Zutphen, alle inwoners vermoord. Dat is onvoorstelbaar.
Uit Zutphen en Warnsveld werden 400 mensen gedeporteerd en vermoord. Veruit het grootste deel van al die vermoorde mensen waren Joden. Laten we ons goed realiseren dat die 1,1 miljoen mensen net als jullie en ik waren. Mensen die zich een aantal jaren voordat ze vermoord werden in Auschwitz op geen enkele manier konden voorstellen, dat zij op deze manier slachtoffer zouden worden. Net zoals wij ons nu niet kunnen voorstellen dat wij ooit op zo'n manier behandeld zouden kunnen worden.
Het is van het grootste belang dat we deze mensen herdenken. En u weet allemaal waarom we dat doen. Want de uitspraak is niet voor niets. Je bent pas echt dood op het moment dat je niet meer wordt herinnerd. En daarom is het zo belangrijk om ieder jaar weer te herdenken.
Maar er is een tweede reden waarom we hier bij elkaar zijn. En dat is omdat we ons ook goed moeten realiseren dat de gebeurtenissen in Auschwitz ook plaatsvonden onder het toeziend oog van heel veel mensen.
Het is op een dag als vandaag niet alleen van belang om terug te kijken, het is ook van belang om vooruit te kijken. En dan richt ik me toch met name tot jullie, tot de leerlingen van het Isendoorn College, omdat ik niet anders kan dan mij te realiseren dat de toekomst in jullie handen ligt.
En dat betekent ook dat jullie, de jongeren van nu, de enige zijn die straks kunnen bewaken dat zoiets wat toen is gebeurd, nooit meer plaatsvindt. Om daarvoor te zorgen moet je antwoord hebben op de vraag hoe het nou zover kon komen? Ik wil twee aspecten naar voren brengen waarvan ik zelf denk dat die belangrijk zijn om die te onthouden.
Laat ik beginnen bij datgene wat Anne Frank in haar dagboek schreef. Ondergedoken in Amsterdam, doodsbang, maar constant als je haar dagboek leest, nadenkend over wat is goed en wat is fout. En dat laat zien dat je ongeacht je leeftijd, hoe jong of oud je ook bent, in welke omstandigheden dan ook, altijd kunt nadenken over de vraag wat is eigenlijk goed en wat is eigenlijk fout.
En ik snap heel goed dat dat een ontzettend lastige vraag lijkt. Maar ik ga jullie vertellen dat het eigenlijk best een makkelijke vraag is, waar jij alleen zelf antwoord op kan geven. Want je hoeft er maar één ding voor te doen. En dat is, als je wil weten of iets goed of fout is, voor jezelf even je ogen dicht te doen. En dan te bedenken: gaat dit over mensen, gaat dit over menselijkheid? En kijken of je van je hoofd naar je hart kan komen.
Dan krijg je vanzelf het antwoord op wat goed en fout is. En ja, dat is voor iedereen verschillend. Maar we mogen het grote vertrouwen hebben dat veruit, de meeste mensen goed zijn. Goed in het hart zijn. Als we in staat zijn om onszelf af en toe te confronteren met het beeld en de vraag wat is goed en wat is fout, en we doen dat echt eventjes in onszelf, dan kun je erop vertrouwen dat het goede antwoord daaruit voortkomt.
Een tweede aspect is iets wat je ook terug kan vinden in het dagboek van Anne Frank. Zij schreef letterlijk: “hoe wonderlijk is het dat niemand ook maar een moment hoeft te wachten om de wereld te verbeteren”. Kennelijk zat zij daar in dat achterhuis, opgesloten, in angst, toch te bedenken, wat moet je nou doen om de wereld te verbeteren.
En dat sluit aan bij het vraagstuk waarom dit heeft kunnen gebeuren. Want Auschwitz was niet de uitkomst van een paar mensen die een kamp bouwden. Van een paar mensen die buitengewoon racistisch waren. Van een paar mensen die te veel wapens en allerlei slechte voornemens hadden.
De belangrijkste reden waarom Auschwitz kon plaatsvinden was, omdat er zoveel mensen waren die zwegen. Het is van het grootste belang dat op het moment dat er echt onrecht plaatsvindt, dat er iets is wat echt fout gaat, we ons realiseren dat we ons dan moeten uitspreken. Als je dat niet aan het begin doet, dan wordt het van kwaad tot erger.
Primo Levi, dat is iemand die Auschwitz overleefde, schreef: “Ja, Auschwitz is inmiddels buiten ons. Maar het hangt nog steeds overal in de lucht. Het is zoiets als een plaag die is verdwenen, maar de besmetting is nog altijd aanwezig. En het zou heel dwaas zijn om dat te ontkennen.”
Bijna 80 jaar na de bevrijding was het 7 oktober 2023. Een verschrikkelijke terroristische aanslag door Hamas gepleegd in Israël. En zonder dat ik op enige wijze tekort wil doen aan die verschrikking en die ongelooflijke menselijke misdaad, moeten we ook kijken wat de gevolgen waren.
En die gevolgen waren dat er mede door het optreden van de Israëlische regering veel kritiek ontstond. En die kritiek die ging zich plotseling richten op Joden. Daar is geen ander woord voor dan antisemitisme. Want Jood zijn betekent niet dat je onderdeel bent van de Israëlische regering.
Het betekent niet dat je verantwoordelijk bent voor wat het Israëlische leger deed. Jood zijn is niets anders dan hoe je geboren bent. Daarmee probeer ik te komen tot de kernvraag die we ons altijd moeten blijven stellen: mag je mensen bekritiseren en beoordelen? Ja natuurlijk mag dat als het gaat over wat ze zeggen of wat ze doen, maar onder geen voorwaarde mag je mensen bekritiseren of beoordelen om wie of wat ze zijn.
Of het nou gaat over je achtergrond, of je jood bent of niet. Of dat het nou gaat over je geloofsovertuiging, of je moslim bent of niet. Of dat het gaat over je seksuele voorkeur, of je homo bent of niet. Of het gaat over de kleur van je huid, of je zwart bent of wit. Dat zijn allemaal elementen die horen tot de kern van wie wij zijn als mens. Daar hebben we altijd respect voor. Want als je dat niet hebt heb je ook geen respect voor jezelf.
Wie of wat mensen zijn hebben we met elkaar te waarderen, te zien, te ondersteunen. Dat is de kern van menselijkheid, dat we zien wie die mens is zonder dat we veroordelen hoe dat eruitziet. Net zoals dat de Palestijnen niet verantwoordelijk gesteld kunnen worden voor de daden van Hamas, zo kunnen de Joden niet verantwoordelijk worden gesteld voor de daden van de Israëlische regering. Het onderscheid dat je daar maakt, is dat je mensen nooit tot doelwit mag maken. Je kunt beleid kritiseren, je kunt handelingen kritiseren, maar nooit, nooit de mens tot doelwit maken. En dat is in mijn optiek precies wat we vandaag herdenken en veroordelen.
Wie een ander mens uitsluit of vernedert om zijn geloof, om zijn kleur, om zijn nationaliteit of om zijn achtergrond is geen medemens, maar is eigenlijk een antimens. Waar we ook vandaan komen, wat ook onze dromen zijn, wat ook onze overtuigingen zijn, wat we ook koesteren, wat ook de reden is waarom we de straat op gaan, uiteindelijk is er voor ons één moreel kompas in het goed of fout en dat is het mens zijn.
Dat kompas dat we hebben laat ons verhouden tot een ander en dan gaat het over vrijheid. Denk er maar eens over na wat het betekent als je zegt, ik ben vrij als jij het bent en jij bent vrij als ik het ben. Jouw vrijheid wordt eigenlijk bepaald door de ander. Want als jij op social media gepest wordt of in een hoek gezet wordt, ben je niet vrij. Niet vrij om te zijn wie je bent en dat komt dan omdat een ander je die vrijheid niet geeft. En dat betekent ook iets voor jezelf. Namelijk dat jij ervoor zorgt dat je de vrijheid aan die ander geeft zoals die ander verantwoordelijk is om de vrijheid aan jou te geven.
Het begon vóór de Tweede Wereldoorlog niet met woorden. Niet met zogenaamde grapjes. Niet met mensen buitensluiten. Het begon niet met het afnemen van de vrijheid van de ander. Het begon met mensen die daar niets tegen deden. Het begon met mensen die om wat voor reden dan ook hun mond hielden.
Mensen die in eerste instantie dachten, ach, dit geldt niet voor mij. En in tweede instantie dachten, dit zijn er misschien wel heel veel, maar nog steeds geldt het niet voor mij. Dat zijn andere groepen, dus dat geldt niet voor mij. Maar uiteindelijk, in 1945, gold het voor iedereen.
Het aangerichte verdriet ontstaan uit dat zwijgen duurt nog steeds voort. De pijn van de oorlog die uit zwijgen voortkwam duurt al meer dan 80 jaar. En ik zeg dat nog nadrukkelijker in deze tijd. Want laten we heel eerlijk zijn, zien we in deze tijd niet hetzelfde gebeuren. Wordt er in deze tijd niet weer teveel gezwegen als het gaat om menselijk onrecht, discriminatie, het wegzetten van groepen, aantasting van democratie en rechtstaat en als het gaat om het ontnemen van de vrijheid van mensen?
Afgelopen weekend zien wij dat er iemand in Minneapolis optreedt: filmt dat er iemand onmenselijk wordt behandeld, tegen de grond wordt gedrukt; vervolgens probeert te helpen en het niet overleeft. Hij werd doodgeschoten. Dat is een ultieme prijs die iemand betaalt voor niet zwijgen. Hij had het van tevoren, een uur van tevoren, niet kunnen bedenken. Omdat niemand kon bedenken dat we al zover zijn afgedaald. Dat zoiets gebeurt op een plek die wij beschouwen als rechtstaat moet een enorme alarmbel zijn. Of op z'n Amerikaans een “wake up call”. Want zien wij in de VS hetzelfde gebeuren als we in de jaren dertig zagen gebeuren? Kan wat in de VS gebeurd ook hier gebeuren? En wie trekt dan openlijk en massaal aan de bel? Laat het alsjeblieft nu wel de stille meerderheid zijn.
Als wij niet massaal onze mond opentrekken op het moment dat de vrijheid wordt ontnomen. Als wij niet spreken op het moment dat anderen gediscrimineerd worden. Als wij niets van ons laten horen als zogenaamde sterke krachten bepalen wat goed of slecht is. Als we daar vanaf het begin niet onze mond over open doen, dan zijn wij uiteindelijk zelf aan de beurt. Dus spreek je uit, voor de ander maar ook voor jezelf.
En ik realiseer me heel goed dat dat een zware boodschap is. En ik realiseer me ook dat het harde woorden zijn en dat je op het moment (zeker op jullie leeftijd leeft) wel wat anders aan je hoofd wilt hebben. Dat snap ik heel goed. Ik doe ook geen beroep op jullie om hier de hele dag over na te denken. Nee, leef je leven. Maar zorg ervoor dat je af en toe even een moment hebt om over je eigen moraliteit, over goed en fout na te denken. Of het nu gaat over situaties op school, of het nu gaat over situaties op straat, of het nu gaat over situaties in het land, of als het gaat over situaties in de wereld. Denk er over na en spreek je uit!
Want echt waar, ook jij kunt van alles doen om te voorkomen dat Auschwitz ooit weer gebeurt. Dat is alleen maar door je mond open te doen en te handelen naar datgene wat jij denkt dat goed en fout is.
We houden de herinnering aan de Holocaust vast, omdat we mensen eeuwig zullen blijven herdenken. En we houden de gedachte aan de Holocaust vast, omdat we met elkaar verantwoordelijk zijn om dat nooit weer te laten gebeuren.
Dank jullie wel.
Nieuwjaarsbijeenkomst - januari
Lieve mensen,
Ik wens u vanavond een gelukkig ‘elk’ jaar toe, omdat ik deze avond voorspoed en mijn goede voornemens zowel voor 2026 als voor 2062 wil uitspreken. Ik wil u, mijn stad en onze gemeente, nu ik de gelegenheid krijg, namelijk een bedding naar de toekomst meegeven. Een bedding vanuit mijn hart.
Want ik wens ons toe dat 2026 een menselijk en veerkrachtig fundament zal zijn voor onze gezamenlijke toekomst. Een vertrekpunt die ervoor zorgt dat we in 2062 opnieuw op de toppen van ons kunnen staan. Immers als je door onze gemeente loopt realiseer je je dat al het moois dat wij nu koesteren eens besluiten van bestuurders en een gemeenschap waren.
En wie wil niet dat de geschiedenis van de toekomst ook over ons met eerbied spreekt, vanwege het goede en het mooie dat nu besloten wordt en straks bewonderd. 2026 biedt ons met verkiezingen, een nieuwe bestuursperiode, verbeteringen in de organisatie het momentum om dat fundament, zoals vaker in onze geschiedenis, te leggen
Lieve mensen ik ben ervan overtuigd dat als we doortastend en vooruitstrevend aan onze gemeente werken, we ver voorbij onze fysieke eindigheid, nog steeds zo toonaangevend kunnen blijven als het eerste gestemde carillon van Nederland, dat nog steeds in de Wijnhuistoren hangt. En dat – niet geheel toevallig – in onze stad z’n thuishaven vond. Ik hoop dat men in de toekomst eens op deze tijd reflecteert en concludeert: In de jaren ’20 en ’30 van de 21ste eeuw waren ze voortvarend in die mooie gemeente Zutphen
Een burgervader hoort geen politieke opvatting te hebben. Maar vooruitkijken maakt mijn geladen wensen kenbaar. Voornemens voor de toekomst, die ik ons zacht maar gedecideerd zou willen meegeven. Van deze kroonbenoemde burgemeester mag u immers verwachten dat hij zijn kijk op de toekomst van de geschiedenis van onze gemeente af en toe met u deelt.
Lieve mensen, naast het ambt van burgemeester heb ik besloten het ambacht van ‘stadsgids’ te willen aanleren. En in die hoedanigheid reik ik u vanavond een wensroute aan door onze gemeente. Niet enkel over kasseien, maar vooral in de tijd. Een route in de vorm van een boeket aan woorden, als bloemlezing verbonden. Omwonden om politiek gedoe te voorkomen. Maar vooral om in geur en kleur te kunnen laten zien welk een prachtig Zutphens veldboeket in 2062 ontstaat als wij nu ons best doen. Onze toekomst vraagt om plannen die met urgentie worden gesmeed. En een gemeente die ze met slagkracht realiseert. Maar wel in de traditie van onze zachte zorgzaamheid en kunstige nijverheid.
Laten we dat vanavond eens virtueel aan de hand van 10 bestemmingen bekijken. De prachtig groene kolos aan de ’s-Gravenhof is ons vertrekpunt. Een tijdloos gebouw, dat zowel 800 jaar geleden, in de jaren ’90 als in 2062 zijn functie met allure vervult. Daarin huist een bestuur dat haar inwoners hoort, haar verscheidenheid inzet om te laten zien dat alleen alle perspectieven samen het goede en mooie kunnen bereiken. Genomen besluiten worden als eenheid gedragen. Want tegen de politiek zeg ik: water bij de wijn is als je veel moet drinken geen verdunning maar een recept tegen hoofdpijn.
Kom, laten we van start gaan met deze avondwandeling door onze toekomstige Biostad. Een plek waar natuur en stad magneten zijn en geen tegenpolen. We kijken nog even over de schouder naar het hof des Graven, dat groen en museaal haar auto’s heeft verloren. We kruisen de markt en slaan links af.
Naar links in dat straatje met z’n lampjes en geveltuintjes. Hier zorgen ze onder leiding van buuf Lia voor elkaar. Het doet me denken aan bloemkoolhofjes in onze Zuidwijken. Straatjes en wijkjes waar inwoners de weg met elkaar vinden. Men eert het aangezicht van de straat en vooral de eigenheid die je daarmee creëert. De bewoners zijn zuinig op elkaar, met pannen soep, pleisters en boven alles handvatten om elkaar vast te houden.
Daar blijkt dat de bouw van weerbaarheid en veerkracht, niet alleen de crisis buitenhoudt maar juist de verbondenheid binnenbrengt. Laten we daar samen in 2026 aan bouwen. Juist een tijd van potentiële crisis vraagt om gezamenlijkheid. En mocht die gezamenlijkheid even niet lukken, blijf dan tenminste met elkaar spreken en luisteren, al is het maar om zo dichtbij mogelijk langs elkaar heen te praten. Haal de weerbaarheid in huis, lieve mensen. Dat kan nooit kwaad. Elke grootse uitkomst in 2062 is eerst een klein gebaar in 2026.
We lopen verder, vanuit de Heukestraat, richting startplaats voor gidsen. We knipogen de Wijnhuistoren gedag. Priklicht leidt – via de Pelikaan - naar een donkere hoek. Een gids komt doorgaans niet, op Polsbroek. En dat is maar goed ook, want het is een plek die door niets of niemand is gespaard. Geparkeerde auto’s verdrukken zich er diagonaal. Een plek waar zelf winkelwagentjes huiveren. En dat gelegen tegen de flanken van de mooiste binnenstad van Nederland, ongenadig erfgoed versus praktisch en plat.
Het is onze plicht juist daar, te komen tot een warme eigentijdse plek. Met iconische gebouwen, zoals het onze stad betaamd. Een plek die ons met elkaar en met de historische binnenstad verbindt. Dan kijkt men in 2062 met genoegen naar dit gebied. Omdat wij voor Polsbroek de beste architecten en bouwers vonden. Het net zo iconisch wisten te maken, zoals ooit de markten zijn ontstaan uit een gedempte verdedigingsgracht.
We gaan even langs de mooiste hof van de Hanze. Want een theater hoort in de stad te liggen. En cultuur dat is Zutphen, zoals Zutphen cultuur is. Als een magnetisch middelpunt verbonden in een kunstminnend netwerk van Deventer, Apeldoorn en Lochem. Hier raken talenten de toppen van hun kunnen. Omringt door een nieuwe cultuurwijk, met huizen als bomen die kunstig over het spoor zo Noorderhaven in groeien.
We trekken onze veters aan om verder te kunnen over de spoorbrug naar de open ruimte. Hier willen we géén gemiddelde polderwijk doorgeven, maar het thuisgevoel van de Heuve met zijn kruidenier. De contramal van het dorp, tegenover de geslaagde stadse allure van Noorderhaven, aan de overkant. Denkbeeldig weet ik exact wat te doen; ik plant er – blad over bloem – biostad bloemkolen voor de Hovenaren. En zo eer ik ingetogen de erfenis van Boer Kip.
Via de Oude Touwbaan even de uiterwaarden in. Daar zien we het beste: het silhouet dat in de toekomst de goede kijker toont dat schoonheid van torens zich niet enkel in kerktorens vertaalt. Want torens, lieve mensen, torens horen nu eenmaal bij deze stad. Iedere generatie heeft het recht en de plicht om de mooiste toren van zijn tijd te bouwen. Torens zijn namelijk onze spiegel van het ontstaansmoment van de tijd waarin men leeft. Natuurlijk vanuit de hoogte en achteraf bezien, maar toch…...
Dus liever kantel ik nieuwe flats. Hun breedte verruil ik liever met de lengte en smeed er torens van. Stadspilaren op afstand van elkaar. Stadspilaren die ruimte bieden, omdat er zovelen zijn die nu een thuishaven zoeken. En geloof mij, ik wil daar torenhoog over meedenken. Maar veel liever nog laat ik het over aan de beste stadsbouwmeester. Want dat is wat deze stad verdiend.
Het drassige buitendijkse land voert ons naar de rotonde richting Brummen en rechts naar Voorst. We zijn een centrumgemeente die al eeuwen, vanuit alle hoeken in de ommelanden, lampjes met een eigen kleur met elkaar verbindt. Juist de diversiteit van karakters is de garantie voor ieders eigenheid. Ik hoop dat wij in 2062 nog veel meer verstrengeld zijn met onze buren zoals de bewoners van de IJsselstreek dat vroeger waren.
Dus wat zeg ik in deze tijd tegen Brummen? “Weet dat de markt en de boer elkaar al eeuwen stevig vasthouden, omdat stad en land ieder met z’n eigen identiteit, juist samen of misschien zelfs als enige de mooiste samenleving kunnen maken.
De nieuwe brug brengt ons naar de overkant. In het groen ontpopt zich Warnsveld. Immer dorp gebleven, drijvend op buurthuizen en bibliotheek. Ik drink er met de jonge dorpsraad een borrel in de herstelde dorpskroeg. We praten over Koningsdag, hier de mooiste in de regio, met de geschoten vogel, die symbool staat voor de eigenheid van Warnsvelds identiteit.
Maar ook in onze hele gemeente zullen we feesten omdat de tijd maar zo kort is. Het vieren van onze identiteiten, monumenten, onze muziek en onze sportievelingen, alles in één. De tweede zaterdag in september vieren we wat mij betreft voor altijd als de geboortedag van Zutphen. De dag waarop het gonst van diversiteit, er geproost en bewonderd wordt, uitgegaan en bewogen, wanneer ons hele palet aan mogelijkheden in één verjaardagsweekend is gestoken.
Via de Gerard Dou betreden we het Waterkwartier. Hier blijft het zelfs bij vorst stromen. Toonbeeld van een diverse keuken, waar we momenten van aanbranden weten te voorkomen. Omdat veiligheid eigenlijk geborgenheid betekent, mag afwijking geen pijn doen. Bovendien “willen moet je ook maar kunnen” en dus is hulp geboden. Om de buurt, naast veelzijdigheid ook zijn rust te gunnen en de rustelozen een goede slaapplek te bieden. En daarom gaan in 2026 zorg en veiligheid hand in hand. Zodat in 2062 de moeilijke kant van samenleven menselijk en gelijk onder ons allen verdeeld is.
Ik meander huiswaarts. Maar niet voor u op te roepen om mee te doen. Te beginnen door in maart in hokjes plaats te nemen, en daarna vooral de ademruimte te hebben daaruit te breken. Ga stemmen en blijf bovenal goed gestemd. Door zo dichtbij mogelijk langs elkaar heen te bewegen en te luisteren, opdat we gezamenlijk genomen besluiten royaal uit kunnen voeren. Zodat men in 2062 zal zeggen dat er 40 jaar eerder werd geïnvesteerd in kwaliteit en kunde, in luchtkastelen die niet onrealistisch zijn voor onze centrumgemeente. In de geborgenheid van oude en nieuwe buurten, ja met een enkele toren, in buurthuizen die kroegen zijn. Opdat men in 2062 zal zeggen dat het zo gek nog niet was wat ze in 2026 begonnen.
Het stadsuurwerk van Zutphen wekt me uit mijn gedachten. Waarschijnlijk ben ik, ondanks het verzoek van de raad korter van stof te zijn, toch goed bedoeld op de troepen vooruit gedenderd. U moet het me maar niet kwalijk nemen, het bloed kruipt waar het niet gaan kan en niets menselijks is mij vreemd.
De Wijnhuistoren zegt me naar huis te gaan. Op de drempel naar dit jaar zoek ik naar de sleutelbos in m’n winterjas. Dan zwaait de deur al open. Daar staat ze met de deurknop in haar hand; de vrouw bij wie ik in elk weertype schuilen mag. Met wie ik een gelukkig ‘elk’ jaar beleven kan, dankzij ons torenhoog vertrouwen, in elkaar.
Dat wens ik u ook toe, lieve mensen. Een torenhoog vertrouwen. Een fundament dat u doet durven springen, omdat u weet dat u kan landen; vanaf de toppen van torens met kraakhelder uitzicht: richting liefde, verbondenheid en warmte.
Lieve mensen, gelukkig nieuwjaar!
Bekijk hier de opgemaakte versie van de speech inclusief sfeerfoto's uit de gemeente (pdf, 9.4 MB)